Kortverhaal: Een gewijde plek

Dit verhaal verscheen eerder in het mannenblad Ché (mei 2006)

 

Een gewijde plek

 

 

Mijmerend wiegden ze heen en weer in hun gammele schommel­stoel en probeer­den tevergeefs te vergeten wat het doel van hun tocht was. ‘s Avonds zaten ze nog altijd stilzwijgend naar de onder­gaande zon te kijken, naar de uitgestrekte maar kalme rimpels op het helblauwe water, naar de naakte meisjes die zich door hun aandacht gevleid voelden. En ze hielden zich afzijdig van het dorp dat hen gedoogde – geheimzinnig waren ze, drie grote, gevaarlijke mannen met wie het kwaad kersen eten was.

Joël was de oudste; althans, dat leek zo, want hun doorgroefde koppen verrieden dat ze alledrie een bewogen leven achter de rug had­den. Misschien had Joël gewoon het minste weerstand en zou hij het eerst onder de druk bezwijken. “Gekkenwerk is het,” snikte hij, en hij nam een sinaasappel, kroop op handen en voeten rond in het huis. De hitte buiten was ondraaglijk. Het was op dagen als deze dat je hersenen plots konden beginnen koken en je zomaar waanvoorstellingen kreeg.

  “Eens krijgen ze ons toch te pakken,” wist Henk. Hij droeg een satijnen short met zijn naam in gouden letters, een onschuldig gevolg van zijn grootheids­waanzin. Voorts was hij een beminnelijke jongen, met typisch Hollandse kuiltjes in zijn wangen, echt een knul waarvoor elk meisje onvoorwaardelijk door de knieën ging. Om na een korte periode vol passie ongenadig weer aan de kant geschoven te worden.

Harry vette het pistool zorgvuldig in. Zo was hij getraind, zo deed hij het al zovele jaren zonder er nog bij na te denken. “Pif poef paf,” grinnikte hij, met één oog stijf dichtgeknepen mikkend naar de inboorlingen op het strand, maar hij haalde de trekker niet over. “Die tijden zijn voorbij,” zuchtte Joël gelaten, zijn hand reikte automatisch naar de denkbeeldi­ge Lüger aan zijn gordel.

Ergens uit een palmbosje steeg gezang op; liederen die boven het eilandje kringel­den, tot op de top van de vulkaan. Drie keer per jaar kwam het tot een uitbar­sting, en ooit zou een uitgekookte touroperator hier gouden zaken doen.

  “Nooit eens post,” gromde Joël behoorlijk uit zijn humeur. “Geen televisie. Almaar kokosnoten, geen bar. En de wijven die zo verdomd vrolijk zijn, maar ze hebben vlijm­scherpe scheermesjes tussen de benen.”

  “Dat kan je alleen maar van horen zeggen weten,” grinnikte Henk, “hoop ik.”

  “Gelukkig is er de rum,” veegde Joël zijn slecht geschoren smoel schoon, “tonnen vol.”

  “En je mag kotsen waar je wilt,” grijnsde Harry. “Geen bazige vrouw die achter je vodden zit.” Hij plantte zijn mes tot aan het lemmet in de bamboetafel en hij beeldde zich in dat hij een buik open kerfde, tot de darmen overboord hingen.

  “Wakker worden, Harry. Niet dromen. Jij bent alweer aan de beurt.”

Hij nam het plakkerige pistool over, woog het zorgvuldig in zijn trillende hand.

  “Neem er je tijd voor. Als je gaat, moet je het met stijl doen.”

Eén kans op vierhonderd eenenzeventig, wist Harry. Hij graaide met de ogen dicht in de munitiekist, tussen de kogelhulzen. Negenentwintig keer hadden ze nu al geprobeerd, en bij elke poging werd het gevaar weer iets groter.

  “De blinddoek niet vergeten,” wierp Henk behulpzaam op, een sigaret­je achteloos tussen de lippen bengelend.

  “En de akte van berouw,” treiterde Joël. “Is het niet goed voor nu dan misschien voor later.”

Harry legde het pistool op zijn schoot en tastte naar het voorhoofd, als had hij een zeldzaam meditatief moment. Achter de blinddoek rolden zijn ogen snel rond in hun kassen; op die manier kon hij helder denken, zelfs met veel te veel rum in zijn vette pens. Hij zag nu werkelijk zijn leven in een flits de revue passeren. Alle grote momen­ten liepen in een razendsnelle, wazige montage in elkaar over. Maar het enige echt duidelijke beeld was dat van de huizen aan het water. Hij was er nochtans al twintig jaar weg, en nooit was er iets gebeurd dat de moeite van het vertellen waard was.

Alleen maar die brede vaart waarover ­zwaar beladen binnenschepen zich elke dag verder slepen, en als je er woont merk je dat niet meer op. Hij dacht aan het huis nog altijd terug als zijn huis. Voor de afreis was hij er langs gereden en hij had het nauwelijks herkend. De oude gevel opgeknapt, de open ruimte links nu ook al volgebouwd. En op straat al die jongelui met hun kroeshaar die deden alsof het ze niets kon gebeuren, op de duur zou je je nog afvragen wie hier de vreemde­ling was. Goed dat vader dit niet meer moest meemaken. In het huis, zo had hij in een flits gezien, woonden nu minstens twee van die families. Zomaar halfweg de blok, klaar om zich als een horde sprinkhanen over de buurt te verspreiden.

Behoedzaam ging Harry’s hand naar de munitiekist, ze bleef halverwe­ge hangen. Hij nam een handvol kogels op en woog ze een voor een, telkens opnieuw.

  “Kijk, hij denkt dat hij er de zwaarste kan uithalen,” lachte Henk.

  “Waarom gaan we hier nog mee door,” foeterde Joël, “het heeft geen zin. Gek zijn we, stapelgek.”

  “We beginnen wat we afgemaakt hebben,” zei Henk beslist. “Jij hebt het spel ingezet, weet je nog wel? Of moet ik je geheugen eens opfris­sen?”

Razendsnel stopte Harry een kogel in het pistool, zette de loop dwars op zijn voorhoofd en drukte af. De haan ketste droog, met een luguber klikje.

  “Zo, dat hebben we weer gehad,” herademde Harry. “Volgende week jouw beurt, Henk.”

Pas nu kwam de weerbots. De gedachte aan de kade was weg. In een flits zag hij zichzelf liggen, de schedel kapot, het dikke bloed dat dampte in het zand.

  “Zeven dagen ondraaglijke spanning,” lachte Henk zijn tanden bloot, maar het was een groene lach. “Laat ons het er ons nog maar eens flink van nemen.” De gedachte aan zijn afspraakje met Mercedes Asunción deed hem watertanden. Hij dronk nog wat rum, met fijne teugjes want die verrekte muggen glipten naar binnen voor je er erg in had.

Harry stond aan de onderkant van de trap uit te hijgen, daar waar Joël in zijn onstuimigheid de leuning had stuk getrapt. Drie, vier keer per dag liet hij zich naar beneden glijden en was zo heel even weer een kind, waarna hij opnieuw in lethargie verviel. Harry het kind dat uren naar de boten kon liggen kijken, plat op zijn buik voor het zolderraam.

Joël was ooit kok geweest op de Marie-Claire, zoveel jaar geleden toen hij nog jong genoeg was om plannen te hebben. Daar had hij het vaak over. Uren kon hij vertellen over de heerlijke gerechten die hij mocht bereiden voor de kapitein, en voor de bemanning was er elke dag kool met worst of spek.

Harry deed zijn best om met één hand een sigaret te rollen. Dat ging moeizaam, zoals hij daar zat na te beven. Hij at nog slechts fijne lendenstukjes van de everzwij­nen die op het eiland overvloedig aanwezig waren, en verder af en toe wat fruit. Zijn droge rokershoest kwam diep vanuit een piepen­de borstkas opwellen.

Enkele ogenblikken was het stil, tot Henk zei:

  “Jongens, wij zijn inderdaad verdorie compleet geschift”, maar het was een net zo onbedui­dend zinnetje als schat, staat de vuilzak al buiten? En hij grolde vervaarlijk, met een ongenadige, korte grom die duidelijk maakte dat hij niet met zich liet sollen. Zo had hij ooit de overste afgeranseld toen de soldij naar zijn zin niet op tijd was uitbetaald; maar verder was hij een keurige, beleefde jongen van de buiten.

Al de eerste dag op het eiland had Harry zijn kakikostuum weggestopt, volgens Joël had hij het aan een inboorling ver­kocht maar dat zouden wel lasterpraatjes zijn. Een huurling hield immers altijd zijn beroep in ere, zelfs als hij zo’n beetje op rust gesteld was.

(“Het waait wel allemaal weer over,” had Joël gezegd. “Een tijdje onderduiken en we zijn terug het heertje. Je moet het als een lange, welverdiende vakantie zien.” Henk vroeg zich af of hij dat wel wilde, maar dat was hier duidelijk niet aan de orde.)

  “Ik wil rust, eindeloze rust!” tierde Joël; hij had een doorslaande stem waaraan vele kwalen ten oorsprong konden liggen, zijn gele, ongezonde huidskleur in aanmer­king genomen. Zijn manier van lopen liet doorschemeren dat hij een duister leven had geleid (omkij­ken, nooit zomaar een kamer betreden zonder het nest eerst grondig uitgerookt te hebben, voedsel kauwde je bedachtzaam en argwanend, want ze konden je altijd vergiftigen).

Zijn linkervoet sleepte ietwat, als na een jaren geleden slecht geheelde breuk. Een gemene breuk, gevolg van een (te) close combat ergens in de Stille Zuidzee, maar geen treurnis achteraf, het geld was goed, de drank overvloedig, de vrouwen weelderig en gewillig.

Harry hield er niet van aangegaapt te worden, zeker niet door Joël; Joël die tenslotte toch verantwoordelijk was voor alles.

 

De grillige kampvuren van het eiland gaven de omgeving iets onwerke­lijk, en alledrie hadden ze een hoofd vol herinneringen die hen terugvoerden naar het slagveld.

  “Hier zitten we goed,” zuchtte Harry.

  “Ik word er helemaal kierewiet van,” lachte Henk wild, “tureluurs, finaal door het lint.” Hij gooide Harry’s mes naar een van de inboor­lingen, schramde diens oor, een dun straaltje bloed gleed traag over de zonbestendige kaak naar beneden.

Joël was de voorbije maanden dikker geworden, onmiskenbaar. Hij liep zwijgend naast Henk naar het water en waste zich ongegeneerd uitgebreid tussen de dijen.

  “Moeten we hier echt tot het einde blijven,” klaagde Henk steen en been. Joël antwoordde weinig enthousiast: “Ja, des­noods de volle vijfhonderd weken.” En hij voegde er voor de zoveelste keer aan toe: “Het is een kwestie van eer.” En hij verdreef de gedachte aan Antonio, de altijd goedschalkse, onversaagde hoofdman.

Harry maakte een afgebeulde indruk, ofschoon hij de laatste tijd alleen maar luiweg op zijn krent had gezeten. Hij had het gevoel dat hij het niet lang meer kon uithouden – waarom nam hij het pistool niet, zocht naar de kogel, één moedig ogen­blik?

  “Mensen worden langzaam gek wanneer ze alleen zijn,” zei Henk.

  “We hebben elkaar toch, en de inboorlingen.” (Een krassende stem; Joël dus, de man die al de bruggen achter zich had verbrand, een vrouw had achtergelaten, net als een stel vuile kinderen met naamloze gezichten, ver weg in de rimboe van een veel te warm land.)

  “Dat is nog erger dan alleen zijn,” pikte Harry daar onge­vraagd op in. “Ik heb er schoon genoeg van.”

  “Nu niet week worden. Jullie lijken wel papkinderen,” zei Joël beslister dan gewild (zoveel mannenmoed zat er nu ook weer niet in zijn spichtige lijf, Joël die gewend was achter­baks te sluipen, vanuit een hinderlaag te vuren en weke kelen bij voorkeur langs achter met zijn vlijmscherpe mes te lijf ging); “we moeten onze belofte houden.”

  “Het woord van een huurling is geen cent waard, dat weet iedereen!” riep Harry.

  “Je vertoont toch echt tekenen van zwakte,” zei Henk op een irritant filoso­fisch toontje. “Al dat gebrul is bullshit. Je hebt het op het pistool gemunt, denk maar niet dat ik het niet weet. Maar er is slechts één kogel, dus zit je met een probleem. Ons beiden doodschieten kan je niet, en knal je een van ons neer dan is de andere meteen gealarmeerd. Je weet dat je het in een ge­vecht niet kan winnen, en ons allebei stiekem ombren­gen lukt je evenmin. Rest nog jezelf om zeep te helpen, maar dat durf je niet. Je kunt dus geen kant meer uit.”

  “Tot het lot toeslaat,” knikte Joël. Zo was het ook bedoeld; een van de drie zou de kogel vangen, en hun schuld zou meteen inge­lost zijn; nietwaar Antonio?

De gedachte aan de aanvoeder maakte Joël heel even weemoedig. Waarom was ook alles misgelopen, in die mistige, koude nacht?

  “Het is gek, maar vannacht heb ik voor het eerst sinds het ongeval weer van Antonio gedroomd,” mijmerde Henk. “Hij lachte me toe en zei: ‘Nog altijd even triest, Henk?’ En hij nam me in zijn armen, wiegde me terwijl hij zachtjes zong: ‘Alles is in orde, alles is in orde.’ Maar zijn gezicht was helemaal weg.”

Henks ogen werden vochtig, en ook Harry moest tegen de tranen vechten.

  “Dromen zijn bedrog,” zei Henk hard. (De onversaagde, een beton­breker met zijn handen, hij at rauwe kip, maalde de beentjes tussen zijn tanden fijn.)

  “Maar deze was verrekt echt.” Henk nam nog een fikse slok, tot zijn keel in brand stond.

Harry schreef zichzelf brieven, maar hij wilde niet dat iemand ze las. Ook nu weer haastte hij zich naar de grot waar hij zijn dagboek had verstopt, en schreef met grote, beverige letters: “Ik ben een schurk, een schurk, een verrekte schurk, mijn lijf is verrot, mijn kop kapot, ik stink uit mijn bek, schurk dat ik ben, ik ben, ik ben.” (Tegen morgen honderd keer schrijven, te tekenen door beide ouders. Niet zo dicht bij de reling, Harry!)

  “We moeten hem in de gaten houden,” fluisterde Henk, “hij is verdomd handig met zijn mes.”

De volgende dag kwam Mercedes Asunción hem wekken; hij was het af­spraakje glad vergeten. “Ach, ik heb ook zoveel om mijn hoofd, mens,” snauwde hij haar toe, en ineens vond hij Mercedes Asunción niet meer zo aantrekkelijk – zodat Joël nu eindelijk een toenaderingspoging durfde wagen, tong uit de mond, de zon glinster­de op zijn met goud behangen borst. Die trofee wilde hij nog wel aan zijn degen rijgen.

Hij verdiepte zich in wat filosofie, niets bijzonders; hooguit wat doordenkertjes die ideaal waren om de dag mee in te zet­ten.

  “Ik betreur niets,” zei Joël met klem, “mijn leven is gewel­dig, elke dag, elke nacht.”

  “Perfect is het,” vervolgde Henk. “Onze handen druipen van het bloed. Geloof het of niet, mijn hand trilde telkens ik afdrukte. Zo’n lafaard ben ik.” Hij raspte over zijn stoppel­baard. “En toch, als ik kon herbeginnen…” Een droge rochel bleef in zijn keel steken, zodat enig gekuch nodig was. “Ik zou opnieuw naar de zeevaart­school gaan, opnieuw buiten ge­gooid worden. En er zou wel weer een of andere griet wat in me zien, want mijn spie­ren, mijn gehaaidheid en gladde praatjes zijn berucht, altijd geweest. Wist je, mijn eerste meisje- Ach, het is al zolang geleden. Ze zei: ‘Wat ben je een schatje, Henkie. Je spieren zijn zo hard.’ En ik sloeg haar nooit, enfin, hooguit één, twee keer. En dan nog om onbenullige dingen; ik was best een aardige knul toen.”

  “Alles kan veranderen.” Joël verzette zich tegen zijn eigen verle­den; het was een struikelblok, nergens voor nodig.

  “En ik ging mee, ik weet het nog goed, die dag blijft voor altijd in mijn geheugen gebrand. Aan boord van een gammele, tochtige boot. Ik denk niet dat ik echt bang was; het ging vanzelf, weet je.”

  “Na de eerste keer gaat het altijd vanzelf.”

  “Men wees mij wie, wat, waar; ik deed mijn job. Alles moest kapot, en grondig­heid was mijn devies. Ze vroegen me: ‘Heb je thuis iemand die op je wacht? Een of ander wijf dat aan je mouw trekt?’ Ik ant­woordde grinnikend: ‘Wat is thuis? En wat heet wach­ten?’ Want niemand is onmisbaar weet je, niemand verdomme!”

  “Ik herinner me…” betrapte Joël zichzelf op weemoed.

Harry kwam op de grond liggen; fijne zandkorreltjes kleefden aan zijn zweterige rug.

  “Nooit heb ik nachtmerries gehad, niet één keertje,” zei Henk. “Dat begreep niemand, ook Antonio niet. Hij zei: ‘Maar je moet ze toch voor je zien, die holle, angstige gezichten? En het bloed van de huilende kinderen, een vrouw die tot het uiterste gaat om haar baby te beschermen, en je ten einde raad haar uitgezakte wansma­ke­lijke lichaam aanbiedt?’ Ik droomde hooguit van mijn moeder; ze gaf me altijd rijstpap met suiker, en ik walgde ervan.”

  “Ik lust het met bordenvol,” smakte Harry.

  “Alleen op het ogenblik zelf twijfelde ik wel eens,” dacht Henk luidop. “Maar ik weigerde met de ogen dicht te schieten; ik sperde ze wijd open, verbeeldde me de baan van de kogel te kunnen volgen, tot hij in het weke lichaam insloeg. Antonio prees me altijd omdat ik zo verdomd efficiënt was – nooit twee kogels wanneer één volstond. Wie in zijn onderbuik ge­troffen is gaat heus wel dood, ook zonder een genade­schot. Elk tijdverlies kan de operatie doen mislukken.”

  “In het leger zouden ze ons met eerbewijzen omhangen heb­ben,” zei Joël nuchter.

Ze speelden strijdlustig een spelletje monopoly; kaarten hadden ze terstond verbrand om ongelukken te vermijden. Harry was een berucht valsspeler, en ook Henk ging op dit punt niet volledig vrijuit.

  “Eer en trouw zijn holle begrippen geworden,” zei Henk. “Maar we moeten er ons aan houden.”

  “Dat staat buiten kijf,” knikte Joël.

  “Zonder is het leven waardeloos, nietwaar, jongens?” deed ook Harry zijn duit in het zakje.

  “We hebben een schuld, en we zullen die inlossen,” verste­vigde Henk opnieuw de band; hij gaf Harry zowaar een schouder­klopje.

  “Ik had je bijna ‘mijn vriend’ genoemd, “lachte Harry luid, “stel je eens voor.”

Zo kropen de dagen voorbij, tot het weer woensdag was. En het werd steeds warmer, van een broeierige zweetopwekkende klamheid.

  “Hop,” zei Henk, “vandaag is het weer mijn beurt. Beter de korte pijn dan de lange.”

En hij nam het pistool, grabbelde lukraak naar een kogel, alles even haastig ofschoon hij een hele dag de tijd had. Hij stak de loop in zijn mond, haalde de trekker over.

Niets.

  “Zo moet je dat doen, in de geest van ons beroep,” zei Henk. “Er tegenaan, vooral niet nadenken.” Hij borg het pistool zorgvuldig weg. “Thirty one down, four hundred sixty nine to go.”

  “Totaal gaga zijn we,” schudde Joël het hoofd.

  “Wat ook nodig is bij dit spel,” zei Henk.

Joël reageerde terstond: “Het is geen spel, dat weet je maar al te goed. Dit is verdomde ernst.”

Waarop Henk halsstarrig het stilzwijgend bewaarde; een van de inboor­lingen kwam aangewandeld, luidop pikante chansons zin­gend. Gé had een goede stem.

  “De beschaving laat zelfs hier haar sporen na,” zuchtte Harry. Hem was de stilte dierbaar.

Die nacht hing een koortsige, drukkende hitte over het eiland. Henk lag te woelen in zijn hangmat, en zijn lijf was met een kleverig zweetspoor overdekt; in deze toestand van half waken was zijn verstand helderder dan ooit. “Nee Antonio, nee!” schreeuwde hij uit volle borst.

Gé hield voor de hut de wacht. Hij zat in opperste verveling steentjes te gooien, woog een kei in zijn hand, slingerde die bekwaam in een bosje zoals hij Henk met een handgranaat had zien oefenen. Alleen kwam er nu geen knal.

Harry was opgestaan en had zich op de tast een kloeke cocktail met een rauw ei gemaakt. Het smaakte afschuwelijk, zoals hij had gedacht.

  “Je hebt vannacht weer geroepen,” zei Joël bij het ontbijt zakelijk. Ontbijt was een groot woord; Harry had een kater van jewelste en Henk was niet bepaald een ochtend­mens.

Misschien was het toch hij die onoplettend geweest was? Hij zou op de duur nog gaan twijfelen.

  “Ik ken die beruchte denkende blik,” zei Henk. “Je vraagt je af of ík indertijd in de fout gegaan ben. Was ik de onverlaat die slordig met de mijnen omsprong?” Henk greep Joël bij de keel, drukte even door tot Joël naar adem hapte. “Hoor eens hier, kerel, je gaat mij er niet voor laten opdraaien,” siste Henk. “Het lot beslist, zoals afgespro­ken.”

  “Ik zei toch niets,” rochelde Joël. “Je bent een mafkees, weet je dat?”

  “Je zei niets, maar dacht het. En dat is hetzelfde.”

En Henk dronk rustig een glas kokosmelk, met kleine, profijtige teugjes.

Gé bracht een reuze portie ananas met gebraden vogel; hij had tien jaar bij een lord gediend, kende dus breakfast.

(“Broekvast” grapte Henk. Op ogenblikken dat hij echt niets had om over te kankeren was hij een lolbroek.)

Harry schreef een zoveelste brief aan zichzelf en verhaalde hoe Henk koelbloedig zijn beurt met de revolver had afgewerkt; en tekende in satanische krullen hoe Henks hersenen in het rond spatten, op Joël die een krakend vers wit gesteven hemd droeg; en Harry boerde luid, zei even “pardon”, of was het iets over de zon?

(Slordig waren ze geweest, onmiskenbaar. “Het wordt een mooie dag,” had Henk gezongen zoals alleen hij kon zingen: de armen wijd, een stem die van diep kwam. Ze hadden die nacht met zijn allen wat teveel geboemeld, ook al omdat Joël wilde vieren dat hij vijfentwintig jaar getrouwd was, weliswaar niet altijd met dezelfde vrouw en met ruime tussenpauzes. En akkoord, ze waren waarschijnlijk nog wat in de wind. En Henk was al zo zorge­loos. Achteraf bekeken hadden ze duidelijk een grove beroeps­fout gemaakt, geen van hen ontkende het. Alle drie hadden ze op Antonio’s bevel de kisten vlug in diens vrachtwagen ge­ploft. En kijk, Joël brak er zich nog altijd het hoofd over of hij het was die de vermaledijde kist met mijnen had ingela­den – HANDLE WITH CARE. Waarom had Antonio ook niet naar het op­schrift gekeken? “Zou niets geholpen hebben,” zei Harry, “die verdomde kisten zijn zo oud als de straat. Je denkt toch niet dat die letters nog te lezen waren?” Grote discussie natuur­lijk, Harry hield zich liever afzijdig, gebrul en ge­tier, net geen vechtpartij. Antonio toch, merkte je dan echt niets aan de kist – zwaarder, een andere kleur, het gerammel van de mijnen? Hij maakte zelfs nog grapjes – “genoeg geweren om een heuse staatsgreep te plegen” – en waarom, waarom verdomme had niemand een voorgevoel gehad? Antonio reed weg, en zwaaide, en stak zijn tong uit naar Henk, want deze was soms afvallig, luister­de niet naar de bevelen, Henk die weliswaar een eerste klas huurling was, altijd klaar voor actie, maar dan op zijn manier – klinkt het niet dan botst het, en hij had nog nooit zo’n goede chef boven zich gehad. Antonio was zacht en brutaal en meedo­genloos en lief, hij hield van de moeders en vermoordde hun kinderen, begroef de lijkjes zorgvuldig, de ogen hard, het hart teder en onstuimig. En hij bleef Henk hardnekkig een ‘hijo de puta’ noemen, wat niemand anders mocht, wat de waarheid was, wat Henk telkens een wee gevoel in de maag gaf want wie was zijn moeder, het loeder, het serpent, een slet die hij nooit had gekend, in haar armen gerust, de geur van haar minnaars die in haar haren hing had opgesnoven? En Antonio gaf plankgas zodat de vrachtwa­gen (‘lorrie’ zei Harry halsstarrig) over en weer schudde op de weg met de kuilen waarin Joël de week tevoren nog een as had kapot gereden, en niemand had hem bij de her­stelling willen helpen omdat het te warm was om ook maar één poot uit te steken, hooguit wilden ze nog een vinger rond een trekker krommen. De knal was oorverdovend, alles leek te bewegen; er schoot een grote steekvlam op en van de vrachtwa­gen bleef niets meer over. Om van Antonio nog maar te zwijgen.)

Er waaide plots een wervelwind over het eiland, net op het ogenblik dat Henk zinnens was zich aan zijn zielenheil te wijden. Uitgesteld was niet verloren; toch maakte hij zich sterk dat het einde nabij was, een vogel voor de kat waren ze.

De kokosnoten smaakten ietwat flets, een gevolg van te veel wind bij occasioneel regenweer, verzekerde Gé met uitgestre­ken gezicht. Je kon nooit weten wat hij dacht.

(En dan de boetedoening die ze zichzelf hadden opgelegd op aanstoken van Joël die zo’n beetje de adjunct van Antonio was en omwille van zijn levenswijsheid werd erkend, hij die op de Marie-Claire ooit een muiterij had verijdeld (zei hijzelf); hij had Harry’s voorstel weggewuifd; Harry wilde alles maar zijn beloop laten, de brok­stukken opruimen, misschien vond men wel een of andere plaatselijke gek die voor de dader kon doorgaan. “We hebben een schuld,” zei Joël beslist en Henk was het daar mee eens. Joël kende nog ergens een eilandje, stil en verla­ten; niemand zou hen daar zoeken. “Ik was het niet,” jammerde Harry, “denk ik”, maar de twijfel stond drie vingers dik op zijn gezicht te lezen. “We zitten in hetzelfde schuitje,” dacht Joël luidop, “een van ons is verantwoordelijk, een van ons moet boeten.”

En ze gingen naar het eiland, Harry met zijn mes, Joël had een kook­boek bij en Henk een wekker; voorts een kist met pistolen, kogels, granaten. Ze peuterden de eerste dag geduldig het kruit uit vierhon­derd negenennegentig kogels en Joël maakte op een stuk boomschors een kalender waarop de woensdag, de dag van Antonio’s dood, rood was omcirkeld.

  “Vijfhonderd kan je niet delen door drie,” zeurde Harry, maar Joël oordeelde dat het welletjes was geweest. En ze wachten nog drie weken alvorens ze met het spel begonnen, om eerst alles nog eens goed te laten bezinken, en dood en ver­nieling teisterden Henks vermoeide hersenen. Ieder om beurt moest een kogel in het pistool stoppen, de loop tegen zijn kop zetten en afdrukken, tot op een dag gerechtigheid zou geschieden.)

Henk stond gedachteloos te staren naar de eeuwig slingerende beweging van een pendule die was opgesteld op de heilige Plek van de Goden, daar waar honderd en zoveel jaar geleden een meteoor was ingeslagen.

  “De wondere wereld,” zei Henk. Zijn ogen volgden de pendule die slingerde, slingerde, het rotding was er ooit door een missionaris neergezet.

  “Ze hebben die pater opgevreten, die smerige voorouders van je,” riep Joël die alles over het eiland wist naar de ademloos luis­terende Gé. Deze lachte zijn tanden bloot; nog maximum vier­honderd negenenzestig weken moesten ze die gevaarlijke mannen gedogen, de halfgoden die boete wilden doen, ondoorgrondelijk als ze waren met hun eergevoel; een van hen zou op de Plek van de Goden begraven worden; de twee anderen zouden het eiland verlaten op zoek naar roem, goud, vergetel­heid. Nog vierhon­derd negen­enzestig weken wachten, tenzij hij de kist met echte kogels volstopte en volgende week, de 32ste, de bloedschuld eindelijk vereffend werd. Was tweeëndertig immers geen heilig getal, zijnde het aantal tanden van de missionaris dat in de vorm van een heilig amulet zo hartstochtelijk werd aanbeden?

 



One Response to “Kortverhaal: Een gewijde plek”

  1. Tamiflu zegt:

    Sterk verhaal!

Leave a Reply